Site Overlay

Bio

Simon Alice René is een creatieve duizendpoot. Met creatiedrang als benzine. Een obsessieve innerlijke noodzaak die steeds vanuit eenzelfde filosofie vertrekt: beeldende poëzie.
Beeldende poëzie biedt een kader waarbij elke creatie vertrekt vanuit liefde voor onze taal. Dit kan een woord zijn, een woordbeeld of geestesbeeld dat mij intrigeert, maar nooit is het op voorhand duidelijk tot wat dat beeld gaat leiden. Het kan een gedicht worden, een (kort)verhaal, een beeldend werk. Om een lezer te citeren: een schrijfstijl van gommetje tot pointe die de interesse van een quasi non-lezer heimelijk weet te stelen: van non-lezer tot lezer, zonder het zelf door te hebben.

Mijn liefde voor taal is iets wat lange tijd slechts latent aanwezig was; het is de muziek die altijd de boventoon voerde. Al vanaf mijn vroege kinderjaren was ik erdoor begeesterd – ik kom dan ook uit een muzikaal nest waar de noten met de paplepel werden ingegeven – en huppelde als koter al mee in trommelkorpsen, fanfares en kerkkoren. Het rijke muzikale leven van een dorpsjongentje in de jaren negentig.

Ik wou een Freddie zijn en daarvoor was een bas alleen niet voldoende.

Het hoeft dan ook geen betoog dat ik als tiener overmand werd door een indringende drang tot horizonverruiming. Ik ontdekte en verdiepte me vooral in Queen, maar ook Elton John en David Bowie verdwenen in mijn hifiketen.
Zwaar beïnvloed door die jaren zeventig liet ik al snel de trommelkorpsen en kerkkoren voor wat ze waren en legde me toe op de basgitaar. Een instrumentkeuze ingegeven door mijn vader. Maar ik wou een Freddie zijn en daarvoor was een bas alleen niet voldoende. Er móest nog een piano in mijn achtvierkantemeterkamertje gestouwd. En toen kon alles beginnen. Stap voor stap.

Simon in metaltijden.
Met nylon bassnaren, zonder hawaïhemd.

Violen, trompetten en zattemanskoortjes

Die eerste jaren gleden voorbij. Ik leerde mijn instrumenten en deed wat ervaring op met studiowerk. Mijn pianoleraar omschreef mijn eerste tekstuele escapades ooit als ‘bloemetjes plukken op het slagveld’. Geen tekstuele hoogvliegers dus, maar los van de puberale invalshoek bleek toen al dat er toch iets in die nummers zat: na solo met piano op het podium van Kunstbende te zijn gekropen, werd ik prompt aangemoedigd met de bronzen medaille. Zelfs op Radio 2 Limburg mocht ik een live-optreden geven.
Maar ik voelde dat er iets niet helemaal klopte.

Ik trok daarom naar Leuven onder het voorwendsel mij in de geschiedenis te verdiepen. Uiteraard draaide die waarheid anders uit. Al snel zat ik meer met mijn Roland BR-8 te spelen dan in de aula te verstoffen. Ik experimenteerde erop los, deed ervaring op met mijn eerste homestudio en trommelde het hele kot op om mee te werken aan mijn eerste albumambities. Violen, trompetten, koortjes, zattemanspraat, fietsbellen, … alles werd bovenop mijn pianonummertjes gedrapeerd. En het album? Dat verkocht als zoete broodjes in mijn kot en een straal van enkele centimeters daarbuiten.
Iets klopte dus nog steeds niet helemaal…

Violen, trompetten, koortjes, zattemanspraat, fietsbellen… alles werd bovenop mijn pianonummertjes gedrapeerd. En het album? Dat verkocht als zoete broodjes in mijn kot en een straal van enkele centimeters daarbuiten.

Ik liet de piano en mijn kot voor wat ze waren en plugde mijn bas terug in. Histoire Noire, de lokale huismetalband, had een openstaande vacature en mijn nylon bassnaren paste volgens hen perfect in hun duister plaatje. Ik echter iets minder; een optreden met korte broek en een ietwat Hawaïaans aandoend T-shirt zou dat snel duidelijk maken. Mijn focus diende dus snel verlegd, en daarmee kwam de gitaar op de proppen.

August Hydes

Die zes snaren deden een nieuwe wereld opengaan. Eindelijk kon ik aan mijn piano toevoegen wat ik al die tijd miste. Ik liet de aula en de fakbar voor wat ze waren en smeet me volledig op het schrijven schrijven schrijven van nieuwe nummers. En het is in die periode dat de kiem ligt van wie Simon Alice René later zou worden. Absurde humor, epische verhaallijnen en een wereldvisie met laagjes van kritiek. Maar ook muzikaal kroop Freddie eindelijk terug wat meer naar de achtergrond: niet alles moest per se zevenstemming uitgewerkt.

Ik huppelde als koter al mee in trommelkorpsen, fanfares en kerkkoren. Het rijke muzikale leven van een dorpsjongentje in de jaren negentig.

Vermits het niet lang duurt alvorens ik mezelf volledig intoxiceer met nieuwe ideeën, brak snel de tijd aan om me opnieuw naar buiten te begeven. Ik mat me het pseudoniem August Hydes aan en stuurde enkele nummers naar Humo. Daarop mocht ik het beste van mezelf komen geven op de preselecties van de Humo’s Rock Rally, maar stuitte op een niet-voorzien probleem: ik zou August Hydes nooit kunnen vertolken zoals ik hem op plaat had vormgegeven. Of om het in de woorden van Indiesound te zeggen:

Simon Alice René als August Hydes op Humo’s Rock Rally

“August Hydes steekt niet slecht van wal. Zijn muziek speelt met contrasten tussen hard en zacht zoals ook ‘Pinball Wizard’ van The Who dat doet, en balanceert voortdurend op de grens van net wel of net niet, als een schilderij met potentieel dat nog niet helemaal af is. Volledig overtuigen doet de singer-songwriter die zijn band last minute bijeen had geraapt wel met het nummer ‘Uncle Bens Applepie’.”

Muziek als schilderij

Ik was er dus bijna. Ik zag het allemaal voor mij liggen, maar kon het nog net niet grijpen. De jaren nadien schraapte ik daarom laagje voor laagje van mijn schilderij. Minutieus. Zocht nieuwe kleur- en klankcombinaties, vond mezelf steeds opnieuw uit, en ontdekte dat daarin het laatste puzzelstukje lag: al die tijd had in wezen het Nederlands centraal gestaan, terwijl het Engels die plaats onterecht toebedeeld kreeg. En met dat besef werd Simon Alice René geboren. Een besef dat het roer omgooide.

Woord- en geestesbeelden volgden elkaar nu in sneltreintempo op. Er vloeiden gedichten, kortverhalen, beeldende verhalen, personages, columns, romans, liedjesteksten, liedjesteksten en liedjesteksten uit mijn pen. Alles steeds binnen die stijl die ik mezelf beetje bij beetje meer eigen ben gaan maken. Om een lezer te citeren: een schrijfstijl van gommetje tot pointe die de interesse van een quasi non-lezer heimelijk weet te stelen: van non-lezer tot lezer, zonder het zelf door te hebben.

Histoire Noire, de lokale huismetalband, had een openstaande vacature. Mijn nylon bassnaren paste volgens hen perfect in hun duister plaatje. Ik iets minder.

Ik liet mezelf nog wat marineren en chambreren alvorens er volledig van overtuigd te zijn dat mijn plaatje nu wel klopte. Eerst deed ik dat via guerrillapoëzie, clandestien gedichten verspreiden in het Hasseltse. Dat werd al snel opgepikt werd door Het Belang van Limburg. Daarop entte de vraag zich om een poëzie-expo uit te werken (‘Desalnietgetreurd‘), waaruit dan weer een nieuwe vraag vloeide om samen met het Jenevermuseum een heuse poëziestraat uit te werken (dewelke dit najaar het levenslicht zal zien).
En zo blijft vandaag alles elkaar opvolgen, als een cascadewaterval. Zoals de koortjes van Freddie. En raakt een creatieve duizendpoot steeds meer verslaafd aan zijn eigen obsessieve creatiedrang.

Share